NATUURNET
      Natuurnet
uw kennismakelaar 



terug naar inhoudsopgave

Hoge dioxineconcentraties en sterfte van embryo's in eieren Nederlandse zangvogels

16 mei

In eieren van zangvogels zijn embryonale afwijkingen vastgesteld op basis waarvan een verdenking ontstond van ernstige dioxine blootstelling. Dit werd bevestigd toen in de eieren hoge concentraties dioxines werden aangetroffen. Dit blijkt uit recent onderzoek van de Stichting Bargerveen1 aan de tapuit en graspieper. Het onderzoek heeft zich toegespitst op twee Nederlandse natuurgebieden, het Noord-Hollands Duinreservaat en het Aekingerzand, een stuifzandgebied in Drenthe. De dioxines in de eieren zijn vermoedelijk afkomstig van insecten die deze gifstoffen opnemen uit de bodem. De eerste resultaten worden deze week gepubliceerd in het Vakblad voor Natuur, Bos en Landschap.

Ecologisch onderzoek
Uit ecologisch onderzoek naar de achteruitgang van de diversiteit van fauna in de Nederlandse duinen blijkt dat dioxines in zeer hoge concentraties voorkomen in eieren van insectenetende zangvogels. Naast hoge dioxinegehalten zijn er ook embryonale afwijkingen vastgesteld die wijzen op dioxinevergiftiging. Omdat dioxines via de lucht verspreid worden, verwachten de onderzoekers dat zangvogels op veel meer plaatsen blootstaan aan de gevolgen van dioxinevergiftiging dan tot nu toe werd aangenomen.

Persistent
Dioxines komen vooral vrij bij verbrandingsprocessen uit bijvoorbeeld industrie en verkeer. Eenmaal neergeslagen in de bodem binden dioxines sterk aan bodemdeeltjes en hopen daardoor op in de bovenste bodemlagen. Doordat dioxines zeer persistent zijn, kan een vervuiling die in het verleden is veroorzaakt nu nog steeds grote gevolgen hebben. De zorg bestaat dat zelfs bij een lage uitstoot van dioxines de concentraties in de bodem hoger worden. Het vermoeden is dat bodembewonende insecten veel dioxinen opnemen en vervolgens in hun vetweefsel ophopen. Zangvogels die van deze insecten eten worden op deze manier via het voedsel besmet.

Vervolgonderzoek
Tot nu toe heeft het onderzoek zich toegespitst op de vogelsoorten tapuit en graspieper in het Noord-Hollands Duinreservaat en op het Aekingerzand. De tapuit zoekt zijn voedsel alleen in zandige, korte grasvegetaties en is in Nederland de laatste decennia zeer sterk achteruit gegaan. De soort is waarschijnlijk extra kwetsbaar voor dioxinevervuiling, omdat het grootste deel van haar voedsel bestaat uit bodembewonende insecten die in de bovenste bodemlaag leven. Naast het ongeschikt raken van duinen en stuifzanden door verruiging van de vegetatie, kan dioxinevergiftiging een belangrijke, tot nu toe niet onderkende oorzaak zijn voor de achteruitgang van deze soort. Vervolgonderzoek moet uitwijzen hoe de stapeling van dioxinen in natuurgebieden verloopt, welke diersoorten een hoge blootstelling ondervinden en welke oplossingsrichtingen er zijn.

Zoekt u een adviesbureau? Ga naar de zoekpagina  

terug naar inhoudsopgave of terug naar de homepage van het Natuurnet