NATUURNET
      Natuurnet
uw kennismakelaar 



terug naar inhoudsopgave

Natuurplanner doorgelicht

9 aug 2011

Voor het evalueren of ontwikkelen van beleid kunnen modellen zeer bruikbaar zijn. Maar dan moeten ze wel goed zijn: betrouwbaar en bruikbare informatie opleveren. Daarvoor is veel denk- en rekenwerk nodig. Dat moet leiden tot een steeds betere acceptatie van de uitkomsten van de modellen.

Natuurplanner simuleert grondwater, bodem en vegetatieprocessen
Om de effecten van veranderingen op de natuur, zoals stikstofdepositie, klimaatverandering of versnippering te begrijpen en te voorspellen, worden vaak computermodellen gebruikt. Zo is er al enkele jaren een Natuurplanner. Hierin zijn meerdere modellen aan elkaar gekoppeld. Met de Natuurplanner kan op basis van simulaties van grondwater, bodem en vegetatieprocessen iets gezegd worden over mogelijke gevolgen van beleid, beheer, klimaatverandering of stikstofdepositie op het voorkomen van plantensoorten en duurzaam voorkomen van diersoorten. Het Planbureau voor de Leefomgeving maakt voor de Balans van de Leefomgeving en de Natuurverkenning dan ook veel gebruik van de Natuurplanner en zijn verwante Meta-Natuurplanner.
De grote vraag is echter altijd: hoe betrouwbaar en nauwkeurig is zon model en passen de uitkomsten van het model bij de vragen die je jezelf had gesteld? Neem de discussie over de kwaliteit en de betrouwbaarheid van het internationale klimaatpanel. Tot in de Tweede Kamer werd de betrouwbaarheid van de IPCC-modellen in twijfel getrokken. Dat leidt op zijn minst af van de discussie waar het over zou moeten gaan, namelijk of en wat voor klimaatbeleid Nederland zou moeten voeren.

Model moet passen bij de vraag
Jaap Wiertz is bij het Planbureau voor de Leefomgeving projectleider Kennisbasis biodiversiteit, modellen en graadmeters. Volgens hem is het daarom heel belangrijk dat de modellen in ieder geval zo goed mogelijk zijn waardoor de modellen zelf zo min mogelijk onderwerp van discussie zijn. Wiertz: Maar wat betekent een goed model? Die vraag heeft twee antwoorden. Ten eerste moet het model passen bij de vraag die het beleid stelt. Even het voorbeeld van de Natuurplanner. Daarmee kunnen we in grote lijnen iets zeggen over welke natuurwaarde, gelet op de voorkomende soorten, we mogen verwachten na bijvoorbeeld 20 of 60 jaar als we in Nederland een bepaald stikstofmaatregel gaan uitvoeren. Dat één bepaalde soort op één rekenplotje van 250x250 meter daar dan ook echt voorkomt, is natuurlijk niet zeker. We kunnen op deze manier voor Nederland of een bepaald gebied een redelijke goede vergelijking maken tussen scenarios voor de natuurwaardeverandering in grotere gebieden, maar niet een precieze voorspelling doen per soort per afzonderlijk plekje.
Voor uitspraken als hoe groot moeten natuurgebieden zijn om populaties in stand te houden, mede gelet op bijvoorbeeld de stikstofdepositie, hebben we een ander model: de Meta-Natuurplanner. Daar zit overigens de tijdsdimensie niet meer in. Je kunt dus wel de eindtoestand voorspellen maar niet de ontwikkelingssnelheid of tussenwaarden. En als je iets wilt zeggen over de status van de natuur in Europa heb je weer andere modellen nodig. Het hangt dus af van het abstractieniveau en de schaal van de beleidsvraag welk model het meest geschikt is.

Transparantie staat hoog in het vaandel
De tweede dimensie in de kwaliteitsvraag van de modellen is de vraag hoe goed het model in elkaar steekt. Voorspelt het goed? Is de betrouwbaarheid groot genoeg? Wiertz: Eigenlijk moeten wij als PBL voor elk model weer afzonderlijke betrouwbaarheidsanalyses kunnen laten zien. Het beleid vraagt daar om, wij willen die ook geven. Wij willen namelijk niet dat onwelgevallige uitkomsten in een maatschappelijke discussie weggezet kunnen worden als onbetrouwbaar. Wij hebben bij het Planbureau de policy dat we transparant zijn en vertellen hoe groot de betrouwbaarheid is van de modellen en wat mensen er dus wel en niet van kunnen verwachten. Dan kun je de uitkomsten tenminste op een zinnige manier bediscussiëren.

Betrouwbaarheid verhogen door zwakste schakel te verbeteren
Het PBL is volgens Wiertz daarom voortdurend bezig met het verbeteren van de modellen. Dit voorjaar rondde Alterra en de WOT Natuur & Milieu in opdracht van het PBL een studie af naar de betrouwbaarheid van de Natuurplanner. De Natuurplanner bestaat uit een reeks van aan elkaar geschakelde, kleinere modellen. Het gaat dan om onder andere een bodemmodel en een vegetatiemodel. Onzekerheid in bijvoorbeeld de bodemkaart plant zich voort door de hele modelketen en draagt uiteindelijk bij aan de onzekerheid in het eindresultaat. Het eindresultaat is de natuurwaarde van het aantal plantensoorten dat ergens voor zou kunnen komen. Om te onderzoeken hoe groot de onzekerheid is in de modeluitkomsten, is een onzekerheidsanalyse uitgevoerd voor de belangrijkste invoerkaarten en modellen van de Natuurplanner. De onzekerheid in de uitkomsten blijkt nu voornamelijk te worden veroorzaakt door een relatief klein tussenmodel. De onzekerheid in het deelmodel waarin de eisen zijn vastgelegd die planten stellen aan nutriëntenbeschikbaarheid, de pH en het grondwater bepaalt feitelijk in grote mate de onzekerheid in het eindresultaat van de hele modelketen.

Natuurplanner kan ook internationaal een rol van betekenis spelen
Wiertz: Het ingewikkelde van dit soort onderzoek is dat de mate van onzekerheid nog niet zegt hoe goed het model de werkelijkheid ook voorspelt. Dat zouden we moeten onderzoeken via validatie. Dan ga je daadwerkelijk in het veld kijken of het model heeft voorspeld wat er in het veld te vinden is. Alterra heeft een onzekerheidsanalyse voor ons uitgevoerd, en we weten nu wat de Natuurplanner betreft waar de grootste onzekerheid wordt gegenereerd. Belangrijk is om dat in de verdere communicatie over de Natuurplanner duidelijk te maken. Transparant zijn over wat het model wel en wat het niet kan en met welke onzekerheid. Daarnaast zou het goed zijn om het model dus op die specifieke plekken te gaan verbeteren.
En als het aan Wiertz ligt, kunnen de Natuurplanner en de Meta-Natuurplanner dan ook een rol spelen bij het nieuw op te richten Intergovernmental Platform on Biodiversity and Ecosystem Services (IPBES). Wij merken dat er internationaal steeds meer behoefte is aan een soort klimaatpanel, maar dan voor natuur en biodiversiteit. Het IPCC heeft immers zijn waarde bewezen als forum waar de wetenschappelijke en beleidsmatige relevantie van klimaatmodellen breed en diepgaand getoetst kon worden. Ik denk dat wij door transparant te zijn en door aan te geven welke modellen voor welke vragen geschikt zijn, kunnen bijdragen aan betere voorspellingen over de veranderingen van de natuur.

Meer informatie:
WOt-rapport 108. Wamelink, G.W.W., W. Akkermans, D.J. Brus, G.B.M. Heuvelink, J.P. Mol-Dijkstra & E.P.A.G. Schouwenberg (2011). Uncertainty analysis of SMART2-SUMO2-MOVE4, the Nature Planner soil and vegetation model chain. WOT Natuur & Milieu, Wageningen.


Zoekt u een adviesbureau? Ga naar de zoekpagina  

terug naar inhoudsopgave of terug naar de homepage van het Natuurnet