NATUURNET
      Natuurnet
uw kennismakelaar 



terug naar inhoudsopgave

Klimaatbestendig beheer voor de heidefauna

13 aug 2018

Deze zomer benadrukt het nog eens: klimaatverandering vergt aanpassingen, ook in het natuurbeheer. De omgang met droogte, maar ook extreme neerslag vragen aandacht. Voor de dieren op de heide is maatwerk vereist om te voorkomen dat populaties verdwijnen. Het gentiaanblauwtje is daarbij een van de meest bedreigde soorten. Een recent verschenen brochure helpt vrijwilligers en beheerders op weg.

Klimaatadaptatie vraagt om maatwerk voor de fauna. In een onlangs afgerond project in Noord-Brabant, zijn kenmerkende soorten gebruikt als graadmeters voor klimaatbestendig beheer. Het gentiaanblauwtje is een van de meest bedreigde soorten en geldt ook vanwege zijn bekendheid als vlaggenschip van de natte heide. Maar het gaat natuurlijk om meer soorten, elk met hun eigen ecologische niche. In de brochure 'Klimaatbestendig heidebeheer voor de fauna' wordt een aantal kenmerkende soorten insecten, reptielen en amfibieën nader bekeken in het licht van klimaatverandering. Zowel droogte als periodieke inundatie bedreigen de soortenrijkdom van de natte heide. Door de decennialange verdroging als gevolg van ontwatering in de omgeving van heidegebieden, is de soortenrijke natte heide in veel gebieden teruggedrongen tot een smalle gordel rond permanente natte laagten als vennen. De verdroogde delen zijn veelal zwaar vergrast met pijpenstrootje en de bodem raakt er steeds verder verzuurd. Daardoor zijn de overgebleven soortenrijke plekken extra kwetsbaar voor inundatie in natte perioden: hogerop is geen geschikt leefgebied meer. Door actief beheer kan hierop worden ingespeeld.

In het project is geëxperimenteerd met ‘klimaatplaggen’ en ‘klimaatchopperen’: in smalle, lange stroken van hoog naar laag oppervlakkig plaggen of diep maaien, waarna licht wordt bekalkt om de effecten van verzuring op te heffen. Vaak is het voor het gentiaanblauwtje dan nodig om ook klokjesgentianen uit te zaaien, omdat deze vooral hogerop zijn verdwenen. Bijen maken al snel gebruik van het verbeterde nectaraanbod en na enige jaren vestigen ook de mieren als de moerassteekmier en de zeldzame veenmier zich weer. Door het kleinschalige werken wordt voorkomen dat soorten worden ‘wegbeheerd’. Lager op de gradiënt hebben amfibieën en libellen voor hun voortplanting visvrije, snel opwarmende poelen nodig. Bij het plaggen langs oevers is het belangrijk dat de diepste delen eens in de drie tot vijf jaar droogvallen om langdurige vestiging van roofvissen te voorkomen, zeker van invasieve vissoorten als Amerikaanse hondsvis en zonnebaars. Extreem natte jaren, zoals 2016, zorgen voor toegenomen verbinding tussen wateren, waardoor de predatie door vissen toeneemt. Ook vanuit dit perspectief is een grote heterogeniteit in de heigebieden belangrijk.

Versterking van heterogeniteit en beheren op gradiënten loont dus de moeite om klimaatextremen beter op te kunnen vangen. Maar er valt hier nog veel te leren. Door een goede wisselwerking tussen beheer en monitoring van de ontwikkelingen komen we te weten wat werkt en wat niet, en waar bijsturing nodig is. Het project is uitgevoerd door De Vlinderstichting, Stichting RAVON en EIS Kenniscentrum Insecten, in samenwerking met vele vrijwilligers en de terreinbeheerders Staatsbosbeheer, Brabants Landschap, Natuurmonumenten, en Bosgroep-Zuid; met subsidie van de provincie Noord-Brabant.

Download hier het rapport.

Zoekt u een adviesbureau? Ga naar de zoekpagina  

terug naar inhoudsopgave of terug naar de homepage van het Natuurnet