NATUURNET
      Natuurnet
uw kennismakelaar 



terug naar inhoudsopgave

Deltaprogramma 2016 roept veel vragen op

18 november 2015

De vaste commissie voor Infrastructuur en Milieu heeft minister Schultz van Haegen maar liefst tachtig ‘feitelijke vragen’ over het Deltaprogramma 2016 en de begroting van het Deltafonds voor komend jaar gestuurd. De minister is gevraagd uiterlijk 23 november de antwoorden aan de Kamer te zenden. Op 30 november vindt het Wetgevingsoverleg Water plaats. Waterforum bekeek het Deltaplan, de begroting van het Deltafonds en de commissievragen en licht er drie belangrijke thema’s - de financiering, de nieuwe normering en de communicatie richting burgers - uit.

1. FINANCIERING
De financiering van het Deltaplan is geregeld via het Deltafonds. Dit Deltafonds vormt het financiële fundament onder de plannen en bevat financiële middelen voor investeringen in waterveiligheid, zoetwater, waterkwaliteit en het beheer en onderhoud dat hierop betrekking heeft. Op verzoek van de Tweede Kamer startte de deltacommissaris in het Deltaplan 2012 met het verschaffen van inzicht in de financiering van de opgaven van het Deltaprogramma. Ook in het Deltaprogramma 2016 is een overzicht opgenomen van de begroting van het Deltafonds.

Termijn
Wat vragen oproept, is dat de financiering via het Deltafonds is geregeld tot 2028 terwijl het Deltaplan en de Deltabeslissingen een periode beslaan tot 2050. ‘Waarom is de termijn van het Deltafonds nog niet naar 2050 verlengd?’, luidt dan ook één van de vragen die Schultz van Haegen moet gaan beantwoorden. En: ‘Brengt dit geen risico’s met zich mee voor een goede implementatie en programmering van het Deltaprogramma?’

Wat dus wel helder is, is hoe de financiering tot 2028 is geregeld. Voor deze periode is circa 15,2 miljard gereserveerd, zo valt in het Deltaprogramma 2016 te lezen. Dat komt neer op een gemiddeld budget van een kleine 1,2 miljard euro per jaar. De grootste hap uit het budget nemen de Hoogwaterbeschermingsmaatreglen (3,80 miljard), en de andere investeringen in waterveiligheid (3,57 miljard). Netwerkgebonden kosten en overige uitgaven staan op de begroting voor 3,56 miljard. Beheer, onderhoud en vervanging voor 2,60 miljard. Relatief kleine budgetten zijn uitgetrokken voor het investeren in zoetwatervoorziening (0,27 miljard) en investeringen in waterkwaliteit (0,6 miljard).

Zoetwater
Van de € 150 miljoen die was gereserveerd voor investeringen in zoetwatermaatregelen is, samenhangend met het Investeringsprogramma Zoetwater 2015-2021, € 145 miljoen overgeboekt van de investeringsruimte in begrotingsartikel 5 naar ‘artikel 2 Investeren in zoetwatervoorziening’.

Dat over de financiële voeding van het Deltafonds na 2028 nog niet is besloten door het kabinet, wordt ook in het Deltaprogramma 2016 benoemd. ‘De deltacommissaris gaat ervan uit dat deze voeding wordt gecontinueerd, gelet op de omvang van de waterveiligheids- en zoetwateropgaven’, valt hier te lezen.

2 NIEUWE NORMERING
Veel besproken zijn de nieuwe normen voor de waterveiligheid, gebaseerd op risicobenadering, zoals die worden verankerd in de nieuwe Waterwet. Naar verwachting wordt de Wijziging van de Waterwet eind dit jaar aan de Tweede Kamer aangeboden en zal deze in 2017 in werking treden. De volgende toetsronde (2017-2023) kan daarmee met de nieuwe normen plaatsvinden.

Beschermingsniveau
Iedereen die achter dijken of duinen woont, krijgt uiterlijk in 2050 een individueel beschermingsniveau van 10-5 als basis. Dat wil zeggen dat de kans op overlijden van een individu niet hoger mag zijn dan 1 op 100.000 per jaar. Waar grote groepen slachtoffers kunnen vallen of grote schade kan optreden door overstromingen geldt een hoger beschermingsniveau. Ook de aanwezigheid van vitale functies van nationaal belang levert in twee gevallen – de kerncentrale Borssele en de gasrotonde in de provincie Groningen – een hoger beschermingsniveau.

Dijkringen
Het Deltaplan gaat hierbij uit van drie soorten keringen: A, B en C-keringen. Voor de A-keringen, keringen die rechtstreeks bescherming bieden tegen buitenwater, zoals de zee, grote rivieren of het IJsselmeer, zijn de nieuwe normen opgenomen in het ontwerp Wijziging van de Waterwet. Voor de dijktrajecten die een rivier- of zeearm afsluiten, de zogenaamde B-keringen, zoals de Afsluitdijk en de Maeslantkering, worden de normen ook vastgelegd in de Waterwet. Ze zijn gebaseerd op slachtofferrisico’s en maatschappelijke kosten-batenanalyses en ook wordt een overstromingskans of faalkans in de wet opgenomen. De C-keringen vormen een verhaal apart. In het nieuwe waterveiligheidsbeleid wordt de indeling in dijkringen losgelaten. Daarom vervullen niet meer alle C-keringen, de waterkeringen die het systeem van dijkringen sluiten, een functie in het primaire systeem. De commissie Infrastructuur & Milieu heeft hierover voor Schultz van Haegen een vrij fundamentele vraag: ‘Waarom wordt de indeling in dijkringen losgelaten in het nieuwe waterveiligheidsbeleid?’

Deltafonds
Maar ook blijkt het Deltaplan en de bijhorende rapportage van het Deltafonds concrete vragen op te roepen. Niet alle normeringen zijn even helder vastgelegd. Zo wil de commissie van Schultz van Haegen weten hoe het kan dat op in de rapportage van het Deltafonds wordt gesproken van een waterveiligheidsnorm van 1:1.250 jaar met een bijbehorende afvoer van de Rijn van 16.000 kubieke meter per seconde, terwijl het Deltaprogramma het heeft over een norm van 1:10.000 met een bijbehorende afvoer van 15.000 tot 19.000 kubieke meter per seconde . Ook moet de minister de Kamer uitleggen hoe het kan dat de kans op een voorkomende gebeurtenis acht keer kleiner wordt gesteld (1:1250 versus 1:10.000), terwijl de afvoer ‘slechts’ maximaal 1,2 keer hoger is (16.000 tegenover 18.000 kubieke meter per seconde)?.

3 COMMUNICATIE EN BEWUSTZIJN BURGERS
‘Zal er richting burgers worden gecommuniceerd welk individueel beschermingsniveau zij hebben, ook in het kader van risicobewustzijn en zelfredzaamheid?’, zo luidt een van de vragen van de commissie aan de minister. De verschillende veiligheidsregio’s werken samen met het ministerie van Veiligheid en Justitie en water- en wegbeheerders aan (verbeterde) regionale crisisplannen voor overstromingen. Alle veiligheidsregio’s zorgen voor actuele evacuatiestrategieën, gebaseerd op de informatie uit de Module Evacuatie bij Grootschalige Overstromingen (MEGO). In MEGO zijn een app en een website (www.overstroomik.nl) ontwikkeld, bedoeld om het risicobewustzijn en de zelfredzaamheid van iedereen in Nederland bij grote overstromingen te vergroten en de effectiviteit van evacuatieplannen te vergroten.

Water en Evacuatie
Op landelijk niveau worden binnen het project Water en Evacuatie standaarden en handreikingen ontwikkeld om de veiligheidsregio’s te ondersteunen bij de onderlinge informatie-uitwisseling, uitvoering van risicoanalyses, uitwerking van een evacuatiestrategie en het stimuleren van zelfredzaamheid van burgers. Acties op het gebied van versterking van de kennisinfrastructuur, ontwikkeling van een toetsingskader voor resultaatmeting en het opzetten van een projectenkalender worden ingezet om de rampenbeheersing bij overstromingen structureel te verbeteren.

Onduidelijk blijft of de burgers verteld wordt welk beschermingsniveau zij hebben. De verwachting is dat het voor onrust zal zorgen. Naast de vraag over het individueel beschermingsniveau stelt de commissie ook de vraag aan Schultz of de communicatie richting de burgers op het gebied van risicobewustzijn en de zelfredzaamheid in geval van rampen wordt geëvalueerd. En: ‘In hoeverre zijn mensen zich momenteel bewust van de gevaren van watersnoodrampen?’

Zoekt u een adviesbureau? Ga naar de zoekpagina  

terug naar inhoudsopgave of terug naar de homepage van het Natuurnet